Close

PO verslaglegging

Op deze pagina lees je mijn visie op het doen, uitvoeren en rapporteren van psychodiagnostsich onderzoek, natuurijk gebaseerd op de geldende richtlijnen en beroepscodes.

Tevens kun je voorbeeld verslaglegging doornemen waarbij ik van jullie strikte discretie vraag daar het (het wel enigszins aangepast en licht gefingeerd) op waargebeurde casuistiek is gebaseerd.

 

Aanwijzingen voor het schrijven van je psychologisch onderzoeksverslag

Volg de richtlijnen van het NIP! (www.psynip.nl).
Belangrijke kernwaarden: deskundigheid (doe alleen uitspraken waar je iets over weet en mag zeggen, heb supervisie / intervisie) zorgvuldigheid (wees transparant in je onderzoeksproces)

PROCEDURE
1) Wees zorgvuldig met de aanvraag onderzoek; waarom er een PO afgenomen moet worden.
2) volg de richtlijnen
3) Gebruik beargumenteerd testmateriaal
4) Doe geen uitspraken waar je geen uitspraken over kunt doen
5) JIJ BENT VERANTWOORDELIJK VOOR HET PROCES EN DE RAPPORTAGE

INHOUD verslag
Houd rekening voor wie je het verslag schrijft.
1) Korte zinnen
2) Niet meer schrijven dan nodig (laat bijwoorden weg!)
3) Concrete, heldere taal (laat niets aan invulling over)
4) Verslag is maximaal 8-10 A4tjes!!! Ga niets herhalen! Geen gebruik zo min mogelijk woorden
5) Weet wat je opschrijft!!! Oftewel: niet zomaar mogelijke betekenissen overschrijven uit handleidingen: ga na wat ze betekenen!
6) LEES JE VERSLAG ZELF NA: elimineer taalfouten en bemerk zo of er logica in zit, of opbouw goed is en het verslag (ook voor patiënt) te lezen is.

VRAAGSTELLING/HYPOTHESE
1) Stel duidelijke vraagstellingen op

2) Beantwoord de vraagstellingen in eerste instantie met UITGELEGDE hypotheses (op grond waarvan stel je de hypothese, waarom denk je dat)!

3) Ga voor jezelf na (op je klad blaadje schrijven) welke informatie / testresultaten (testen) je nodig hebt voor het beantwoorden c.q. bevestigen / ontkrachten van je hypothese.

4) Bepalen testbatterij:
a. Meet je met deze materialen wat je wilt meten?
b. Is er voldoende diversiteit?
c. Meet je vraagstellingen met meerdere middelen (oftewel het ‘toevalselement’ uitschakelen)

Let op: vraag naar ASS uitvoeren VOOR algemeen PO. Want bij ASS kun je geen dynamische profielinterpretatie doen! Los dat de persoonlijkheidsontwikkeling per definitie gekleurd is door een (aangeboren) ontwikkelingsprobleem als ASS

KLINISCHE OBSERVATIE
1) Klinische observatie is een erg belangrijk middel, jouw visie, op hoe iemand overkomt, functioneert.

2) Beschrijf concreet hoe iemand overkomt, wat je opmerkt, is er contactgroei (waar merk je dat aan), hoe reageert patiënt op jou, hoe is zijn algemene houding, zijn testhouding, wat valt op. Niet 5 algemene zinnetjes. Ik wil ook in je observaties teruglezen welke observaties je doet. TIP: schrijf eerst ongenuanceerd op een kladblaadje: wat zie je, wat merk je, wat voel je (tegenoverdracht) en dan maak je daar een zo objectief mogelijk samenvatting van. Ga hier niet al interpreteren, maar omschrijf neutraal en zonder oordeel.

ANAMNESE – je bouwstenen onder je onderzoek!!!
1) Dit is waar wij psychodiagnosticus goed in zijn: voer een uitgebreide anamnese uit (met je vraagstellingen en hypotheses in je achterhoofd - ga ze onderzoeken)

2) Punten beeldkrijgen van o.a.:

a - Klachten goed uitvragen in kader van functie en betekenisverlening ervan.
b – ontwikkeling (zwangerschap, contact maken, problemen in de eerste periode, wanneer lopen, praten, )
c - – Gezinsgeschiedenis ( sfeer thuis, beschrijving vader, moeder, relatie met ze, mogelijke pathologie van ouders, siblings + relatie met hen, omgangsvormen in gezin, normen en waarden, opvoedingsstijl ouders)

3 – persoonlijke vroege ontwikkeling: omgang met separatiemomenten, mogelijke gedragsproblemen, beschrijving als kind, hobbies, mooiste en slechtste herinnering, hoe verliepen contacten met peers, hoe ging iemand om met veranderingen; wat deed pt om aandacht te krijgen / gezien te worden?, hoe is het leren van de emotieregulatie verlopen, waren er driftaanvallen)

4 – schoolgeschiedenis (niveau, leerproblemen, pestverleden)

5 – traumata (welke, hoe was dat, hoe kijkt iemand daar op terug, gevolgen nog)

6 – Relaties

a - Liefdesrelaties (eerste verliefdheid, omgaan met blauwtjes, hoe gedraagt hij zich binnen een relatie, jaloersheid, hoeveel relaties
b - vriendschappen (hoe gaat pt die aan, hoe beweegt hij erin)
c - seksualiteit (thuis voorgelicht? ontwikkeling; wanneer eerste ervaring, hoe was dat, wat vindt iemand van seks, hoe zit het met het libido, masturbatie, hoe gaat iemand hiermee om, functie van seksualiteit, nare ervaringen?)

7 - Onderzoek naar Persoonlijkheidskenmerken: Check op o.a.:

  • Problemen met realiteitstoetsing (psychotische kenmerken in het leven (achterdocht, wantrouwen, hallucinaties, paranormale)
  • Interpersoonlijke problemen
  • Problemen met justitie
  • Vermijdingstendensen
  • Dwangmatigheden
  • Egosterkte
  • Impulscontrole
  • Frustratietolerantie
  • Hoe gaat iemand om met teleurstellingen, kritiek, tegenslag
  • Agressieregulatie
  • Emotieregulatie
  • Egocentrisme
  • Kan iemand goed alleen zijn
  • Zelfbeschrijving:
  • Hoe zou zijn geliefde hem omschrijven:
  • Hoe zouden zijn ouders hem omschrijven:
  • Hoe kijkt iemand naar de wereld (wereldbeeld)
  • Hoe kijkt iemand naar de toekomst

AFZONDELIJK TESTMATERIAAL
1) Beschrijf per test de camera view: nog niet gaan interpreteren, alleen puur wat deze test aangeeft.
2) Wees kort, bondig en helder (beschrijving per test paar zinnen, MMPI maximaal 1 pagina!)
3) Noem bij de MMPI niet de afzonderlijke schalen!!!! Maar beschrijf per validiteit, controle, impuls en kwetsbaarheidsschalen en overig.
4) Als je de dynamische profielinterpretatie wil bespreken in je verslag, lees je in en snap wat je opschrijft!
5) Maak per testbespreking voor jezelf een aantekening met deelconclusie en wat dit voor patient betekent (en voor mogelijkheden voor behandeling)

INTEGRATIEbelangrijkste van je verslag: combinatie van klinische observatie en testresultaten.
1) Voorwerk in klad voor jezelf: Combineer hier gegevens van de testen, zonder individuele testen te benoemen: maak voor jezelf overzichten van deelconclusies, antwoorden op je vragen, klopt je hypothese (waarom wel en waarom niet), welke tegenstrijdigheden zie je, hoe kun je die verklaren
*  Is er een toestandsbeeld (psychose of heftige PTSSbv)??? – voorzichtig met interpreteren

2) Hier komt een ‘pasfoto’ van het persoonlijkheidsprofiel van de onderzochte: o.a.:
• Wat voor iemand is het (kwetsbaar of niet, stabiel/labiel) – wat is de basis
• Welke voorgeschiedenis / omstandigheden hebben persoon beïnvloed in
• ontwikkeling van deze persoonlijkheid (trauma, hechtingsproblematiek,
• intelligentie)
• Wat kan hij goed
• Wat kan hij minder goed
• Hoe gaat hij om met problemen en wat zijn daarvan de consequenties
• Wanneer ontstaan problemen? (wanneer overschrijdt de draaglast de draagkracht)
• Waarom gaat het nu mis?
• Beschrijf van persoonlijkheid naar klacht – topdown of bottom up (zie opbouw multidimensionele diagnostiek)
• Maak gebruik van bijlage ‘multidimensionele diagnostiek’ (hfdst 1 Eurelings/Snellen!)- opbouw voor je integratie
• Zorg voor een heldere opbouw: geen aaneengeschakelde feitjes maar 1 verhaal.

CONCLUSIE
1) Beantwoord KORT en samengevat de vraagstelling.
2) Conclusie: zijn er vragen bij gekomen of heb je aanwijzingen voor het bestaan van andere problematiek die meer onderzocht moet worden (denk hierbij aan ontwikkelingsproblematiek (autisme, adhd) of andere psychiatrie (schizofrenie, traumatisering (PTSS) etc) noem dat dan als advies voor vervolg onderzoek!!!
3) Wees duidelijk over je conclusie: je hebt grondig onderzoek gedaan en daarom doe je uitspraken (niet ‘mogelijk’ of ‘misschien’: nee: dit is jouw conclusie gebaseerd op verschillende onderzoeksmiddelen)

BIJLAGE 1: Multidimensionele diagnostiek:

  • Domein 1 Objectief en subjectief waarneembare symptomen, syndromen en gedragsstoornissen, alsmede de persoonlijkheidsstoornissen volgens DSM-IV
  • Domein 2 De situatie, het systeem en de context (gunstig, ongunstig)
  • Domein 3 Bewust toegankelijke cognitieve schema’s, copingstijlen en mentale representaties van het zelf en de ander
  • Domein 4 Dynamiek: impliciete schema’s, aard van objectrelaties, defect of conflict, aard en intensiteit van intrapsychische conflicten en afweerconstellaties. Ook: organiciteit van de persoonlijkheid. ‘Coloriet’ van het karakter (driftontwikkeling).
  • Domein 5 Veiligheid gezinsklimaat, opvoeding, vroege traumatische ervaringen, mentale gehechtheidrepresentaties en hechtingstijlen
  • Domein 6 Voor een groot deel genetisch bepaalde stabiele persoonlijkheidskenmerken en temperamentfactoren